Toespraak van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet bij de opening van de tentoonstelling over het kindertransport vanuit Vught. Kamp Vught 5 juni 2011

Dames en heren,

Bij de tentoonstelling die wij hier vandaag officieel openen zijn fragmenten opgenomen uit het dagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch, gevangene in het kamp Vught van 22 maart tot 4 juli 1943. Onder andere dit fragment, geschreven op 8 juni, de dag na het kindertransport: “Alleen zij die dit leed persoonlijk meegemaakt hebben, zij zullen het begrijpen. En zij die het niet meegemaakt hebben en dit eens zullen lezen. Zij moeten het begrijpen. Zij moeten weten het grote leed dat ons is aangedaan.”

Klaartje de Zwarte beschrijft hier in één zin het belang van haar dagboek en dat van alle andere foto’s, filmpjes en teksten over die bezettingsjaren. Wij moeten het weten. Wij moeten weten wat hen is aangedaan.

Mijn generatie, in de eerste jaren na 1945 geboren, heeft de verhalen nog uit de eerste hand gehoord. Onze ouders en grootouders hadden het zelf meegemaakt. Maar voor de generatie van mijn kleinkinderen is de afstand al te groot geworden. Voor mij was de oorlog deel van het familieverhaal, voor hen is het geschiedenis.

En toch: geschiedenis kan tot leven komen. “De vervolging van de joden” is een hoofdstuk in het geschiedenisboek.
Maar het verhaal van Koos Valk, die met zijn schepje en emmertje naar kamp Vught was gekomen, is een levend verhaal. Net als dat van Ernst Verduin, van Kitty Wurms en van Lotty Veffer. Daar kunnen kinderen zich iets bij voorstellen.

Daarom is een tentoonstelling als deze van onschatbare waarde. Wij moeten het weten. Wij moeten weten wie zij waren, hoe ze heetten, waar ze woonden, wie hun familieleden waren. Zo maken we een verbinding tussen hen en onszelf. Juist omdat de afstand in tijd groter wordt, moeten we de afstand in betrokkenheid verkleinen.
Maar daar mogen we het niet bij laten. Wie de verhalen leest en de beelden ziet kan achterblijven met een gevoel van totale onmacht. Dit lijden was zo zinloos. Gezinnen samengedreven in Westerbork of Vught, een trein vol kinderen naar Sobibor: het was allemaal zo zinloos.

Maar juist daar ligt ook onze opdracht. Het lijden had geen zin, maar wij kunnen er zin aan geven. Uit liefde en respect voor deze kinderen.

Wij kunnen er zin aan geven door met overtuiging en hartstocht vorm te geven aan de waarden die toen werden vertrapt. Aan recht  als spiegelbeeld van onrecht, aan vrijheid als spiegelbeeld van onderdrukking, aan democratie als spiegelbeeld van dictatuur. Het zijn de contrasten die helderheid scheppen. Zoals in het filmpje in het lespakket over Joodse kinderen in kamp Vught: de tegenstelling tussen de kleine jongen in 1943, opgesloten in het kamp, en het meisje in 2010 dat vrolijk touwtje springt in een stadspark.

Dat in vrijheid spelende meisje, dat is wat wij gezamenlijk met al onze  inzet moeten verdedigen.
Het legt een grote verantwoordelijkheid op onze schouders. Het is onze verantwoordelijkheid om te zorgen dat Nederland een land blijft waar recht, democratie en vrijheid heersen. Wij zijn daar ieder afzonderlijk verantwoordelijk voor, maar ook allemaal samen.

Dat is lang niet altijd makkelijk.

Vrijheid kent ook grenzen. Onze vrijheid wordt beperkt door het recht van anderen op hún vrijheid. Het grensgebied is vaak een zwaar omstreden terrein.

Democratie – ik weet het uit dagelijkse ervaring – is niet de simpelste manier om een land te besturen. Als je iets wilt veranderen, dan zijn de procedures lang. Elk besluit dat politici willen nemen is een zoektocht naar die oplossing die de wens van de meerderheid vervult, maar ook recht doet aan de gevoelens van de minderheid. Dat is niet de snelste weg naar een beslissing.

En een rechtstaat niet altijd de meest bevredigende vorm om af te rekenen met daders. De advocaat die opkomt voor de rechten van zijn cliënt voert soms een eenzame strijd tegen alom gevoelde verontwaardiging. Maar ook de grootste crimineel heeft recht op verdediging – dat is de kern van een rechtstaat.

In november 2009 begon in München het proces tegen Iwan Demjanjuk, verdacht van medeplichtigheid aan de moord op 28.000 joden in het kamp Sobibor. Het kamp waar de kinderen van Vught in juni 1943 hun einde vonden.
Verschillende Nederlanders traden daarbij op als ‘Nebenkläger”, onder wie Jules Schelvis, die vrijwel zijn hele familie in Sobibor verloor. Vorige maand veroordeelde de rechter Demjanjuk tot vijf jaar cel voor zijn oorlogsmisdaden, maar vanwege zijn leeftijd mag hij het hoger beroep in vrijheid afwachten. Met grote geestelijke moed reageerde Jules Schelvis daarop met deze woorden: ”Ik ben er tevreden over. Het kleine beetje humanisme dat hij niet heeft vertoond, zou ik wel in praktijk willen brengen: hij heeft straf verdiend, maar hij is 91. Hij is de enige die weet wat hij gedaan heeft en heeft dat een groot deel van zijn leven moeten meetorsen. Demjanjuk moet nu met zichzelf in het reine komen.”

Met die woorden raakt Jules Schelvis de rechtstaat in haar diepste kern. Het gaat niet om vergelding. Er moet recht worden gedaan.

Recht, vrijheid, democratie: ze spreken niet vanzelf. Het vereist inspanning en soms ook heel veel moed om ze in stand te houden.

Maar die inspanning en die moed, dat zijn we als nabestaanden verplicht aan hen die omkwamen. Het is ook om hen te eren dat wij die waarden overdragen aan onze kinderen.

Vandaag staan we stil bij de kinderen die in juni 1943 uit Vught werden weggevoerd, hun zekere dood tegemoet.

We openen een tentoonstelling die laat zien wie zij waren. Hoe ze heetten, hoe ze er uit zagen, waar ze woonden.

Ik hoop dat de tentoonstelling heel veel bezocht zal worden – en vooral ook door heel veel kinderen. En ik hoop dat het de kinderen aanzet tot nadenken over die waarden die ik noemde. Wat mij betreft mogen ze dat op hun eigen manier doen. Laten we hen de ruimte geven om hun eigen conclusies te trekken, te bouwen aan hun eigen levensverhaal.

En zoals ik begon met een fragment uit het dagboek van Klaartje de Zwarte, zo  wil ik eindigen met een fragment uit een ander dagboek. Op 15 juli 1944 schreef Anne Frank de volgende zinnen:

‘Het is mij onmogelijk alles te bouwen op de basis van dood, ellende en verwarring. Ik zie hoe de wereld langzaam in een woestijn herschapen wordt, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden. Ik voel het leed van miljoenen mensen mee.

En toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat dit alles zich weer ten goede zal wenden. Dat ook deze wreedheid zal ophouden en dat er weer rust en vrede in de wereldorde zal komen.’